| i-mode | aj-mood | internet mode; computeren met een mobiele telefoon |
| idolaat | ie-doo-laat | dweperig, afgodisch |
| inertie | in-er-tsie | traagheid, de eigenschap van lichamen om te volharden in de toestand waarin zij zich bevinden |
| inherent | in-hu-rent | samengaand, aanklevend |
| initiator | i-nie-tsjaa-tor | initiatiefnemer |
| innoveren | in-noo-vee-ren | (zich) vernieuwen |
| insuline | in-suu-lie-nu | door de alvleesklier afgescheiden stof, die het suikergehalte van bloed verlaagt en daarom als geneesmiddel voor suikerziekte gebruikt wordt |
| interbellum | in-ter-bel-lum | periode tussen twee oorlogen, vooral die tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog |
| interpunctie | in-tur-punk-sie | plaatsing van leestekens |
| intervisie | in-tur-vie-sie | overleg tussen personen, meestal collega’s, met als doel het optimaliseren van het functioneren van elk van de deelnemers |
| irrelevant | ir-ree-lu-vant | niet ter zake doende |
| item | aj-tum | punt, post, onderwerp |